Home Veel gestelde vragen Ziekten en symptomen Bacteriële infecties

Bacteriële infecties

Bacteriën zijn eencellige organismen. De kleinste bacteriën zijn 20 tot 30 maal groter dan de grootste virussen. Bacteriën planten zich voort door celdeling.

Bacteriën, of de door bacteriën gevormde afvalstoffen, kunnen ziekten veroorzaken. De ernst van de ziekte is afhankelijk van het ziekteverwekkend vermogen van het organisme en van de ontvankelijkheid van de roofvogel. De ziektesymptomen bij geïnfecteerde roofvogels zijn niet specifiek; veelal opgezette veren, traagheid, verminderde voeropname en versnelde ademhaling. Vaak hebben de roofvogels diarree.

De diagnose 'bacteriële infectie' kan alleen worden bevestigd door bacteriologisch onderzoek van bloed, mest, organen of weefsels. Bacteriën worden geïdentificeerd door ze te kweken of door hun reactie met een serum van een geïmmuniseerd dier te testen (agglutine test). Sommige bacteriën zijn te identificeren met een microscoop.

Een gevoeligheidstest is nodig om het tegen de ziekteverwekkende bacteriën werkzame antibioticum te vinden. Deze gevoeligheidstest kan enkele dagen duren.

Bacteriën worden ingedeeld in Gram-positieve en Gram-negatieve bacteriën. Deze indeling werd rond 1890 door Dr. Gram geïntroduceerd en heeft te maken met het feit dat de celmembranen van Gram-positieve bacteriën met een bepaalde stof te kleuren zijn, dit lukt niet bij Gram-negatieve bacteriën. Enkele Gram-positieve bacteriën zijn: Bacillus, Clostridium, Listeria, Staphylococcus en Streptococcus. Gram-negatieve bacteriën zijn Escherichia, Pasteurella, Salmonella en Yersinia.

Gezonde zaadetende en vruchtenetende vogels hebben veelal geen Gram-negatieve bacteriën in het spijsverteringskanaal, ze komen echter wel voor bij insektenetende en vleesetende vogels.

Salmonellosis:
Salmonella kan vogels, zoogdieren en reptielen infecteren. Salmonellosis is een uiterst besmettelijke ziekte van het spijsverteringskanaal, die regelmatig wordt aangetroffen bij hoenderachtige, watervogels, postduiven en aasetende vogels. Van de ongeveer 1500 serotypen van salmonella is S. typhimurium het meest voorkomende.

Oorzaak:
Roofvogels worden met salmonella geïnfecteerd via mest, zitstokken, voer en waterbakken. Via het ovarium kan ook het eiembryo besmet roken. Insecten, muizen en ratten kunnen salmonella overbrengen. De incubatietijd is 1 á 2 dagen. 2 tot 4 dagen later kan sterfte optreden.

Salmonella kan in modder tot 1,5 jaar overleven, in stilstaand water tot zeker 4 maand, in kadavers en in mest tot 1,5 maand. Kooi, volière en beplanting kunnen Salmonella tot wel 2 jaar herbergen.

Ziekteverschijnselen, zie inleiding. De mest is veelal waterig, groen gekleurd en bevuilt de veren rond de anus. Salmonella bacteriën kunnen via de dunne darm in het bloed komen, zich dan in gewrichten nestelen en zwellingen en stijfheid veroorzaken. Geïnfecteerde pootgewrichten resulteren in kreupelheid, geïnfecteerde vleugelgewrichten in het laten hangen van de vleugels.

Bij sectie wordt een vergrote milt met gele knobbeltjes gevonden. Darm, lever en hart zijn veelal ontstoken. Het sectiebeeld komt overeen met dat van pasteurellosis, pseudotuberculosis en chlamydiosis.

Het kweken van salmonella bacteriën uit de mest bevestigt de diagnose.

Voorkomen en genezen:
Een gevoeligheidstest wijst uit welk geneesmiddel (antibioticum) effectief is, bv. chlooramfenicol of trimetoprim-sulfa.

Voorkom salmonellosis door een goede voeding en hygiëne en een muizen- en rattenvrije huisvesting. Gezonde roofvogels kunnen dragers zijn van salmonella bacteriën.

 

Bron: http://www.eaglewatch.nl/informatie/Ziekteverwekkers_NL.html

Laatst aangepast (zaterdag, 17 juli 2010 13:46)